È un sogno la vita (Afscheidsbrief)
| È un sogno la vita. "Als gij mijn vader niet zijt, wie ben ik dan?" Nachtelijke wandeling in Vezelay, 31 januari 2016. |
Opgetekend op: 16 juli 2017 (met addendum)
Mijn lieve vader,
Dit is mijn afscheidsbrief.
Weet je nog, toen je ineens 'met vakantie' was, tussen 3 en 24 februari, dat ik je vier of vijf brieven schreef? Doorgaans 's morgens heel vroeg, vóór het huis tot leven kwam. Ik genoot van de eenzame stilte, met mooie muziek. De muziek, dat zal me altijd aan jou doen denken.
Nu is dat ook zo, al is het niet in de ochtend, maar na de middag.
De muziek waar ik nu naar luister, is Ombra mai fu, jouw aria, al is het geen Fritz Wunderlich, maar een contratenor, zoals het hoort. Ik beeld me in dat je ja knikt, maar dat je het er niet mee eens bent. Voor jou was er maar één tenor, en dat was Fritz Wunderlich.
Toen ik je na die drie lange weken afwezigheid terugzag in het rusthuis, op 25 februari, dacht ik: Mijn vader is gebroken. Mijn twee jongens waren mee, en één van hen is stilletjes beginnen huilen toen hij jou daar zo zag zitten.
Ongeveer veertig jaar geleden vertelde je mij dat je mijn vader was. Ik was als aan de grond genageld. We zaten in jouw Mercedes 220, wat ik altijd een grote auto vond, maar nu vond ik die auto zo beklemmend klein, ik wou eruit springen en weglopen. Later vertelde je me dat je dacht dat ik het wel wist, de familie wist het al. Weet je dan niet wie in het oog van de storm zit, niet voelt dat de wind aanwakkert?
De brieven die ik je schreef, zal je wel nooit gekregen hebben. Die vakantie was net bedoeld om alle contact onmogelijk te maken. In die periode ging ik vaak naar de boerderij en ik stopte mijn brieven in de bus.
Wat een dramatische tijd was dat. Ik sprak met de buren, belde naar de hulpverleners, ging naar je nieuwe huisarts, en sprak met M. Ik wist niet waar je was. Het was nog winter, bar koud en guur. Ik vroeg me af hoe je dagen eruit zagen, wat je deed, daar in dat kleine appartement zonder uitzicht, toen ik uiteindelijk te weten was gekomen waar je was. Toen ik je drie weken later terugzag in het rusthuis zei je me spontaan dat 'die vakantie geen goed idee' was. De week voordien was je erg ziek geworden en moest je opgenomen worden in het UZ. Cognitief had je een enorme dreun gekregen.
In het rusthuis begon ik je dan mijn brieven voor te lezen. Sindsdien ging het zo snel achteruit met jou, en het spijt me nu dat ik geen enkele keer, sinds je in het rusthuis was, heb gepraat over de rechtszaak. Omdat ik je niet wou bezwaren of verdriet doen, maar nu zit ik met zo veel vragen waarop ik nooit een antwoord zal krijgen. Ik moet het stellen met een herinnering aan ons laatste echt gesprek op woensdag 1 februari 2017, het was één van jouw laatste dagen in je geliefde Zevergem. Je was bedrukt maar helder: 'Als ze akkoord zouden gaan, was het al lang gedaan,' zei je toen.
Niet zo lang geleden sprak ik met je, en je sloot je ogen. Het was een gebaar van iemand die innerlijk leed. Ik legde mijn hand op je arm, en je opende je ogen weer. Ik vroeg of je me iets wou zeggen, maar er kwam geen reactie. In je ogen zag ik een onpeilbaar verdriet. Ik dacht aan die keer in september vorig jaar, toen ik bij jou kwam, net terug van een reis naar Amerika. Je lag te slapen in bed, en ik ging naast je zitten. Je werd wakker en je nam mijn hand vast. Je begon te huilen, en je zei: "Mark - Ik heb zoveel verkeerd gedaan. Kunt ge me vergeven?"
Natuurlijk vergeef ik je, want je bent mijn vader. Jouw grootste zonde is zwakheid, maar je intentie was goed, en je hart was groot. Dat je veel mensen hebt gekwetst, was wat je wou vermijden, maar het gebeurde toch, onvermijdelijk, omdat je geen duidelijke keuzes durfde te maken. Het is een kleine zonde.
Zoals ik zei op het sterfbed van mijn moeder, de vrouw van je leven, met wie je zestig jaar lang een hechte band had, en waarmee je bijna veertig jaar hebt samengeleefd: "Wie om vergiffenis vraagt, wordt vergeven."
Een tijd geleden hadden we het over hoe je begraven wou worden. Begraven of cremeren? Je wist het niet. Mijn moeder werd gecremeerd, en je miste een plaats om te rouwen, te herdenken. De dienst in het crematorium vond je mooi, maar 'het was toch niet hetzelfde als een dienst in een kerk'.
Ik citeerde de verzen van op mijn moeders doodsprentje: "Voor alles is er een tijd. ... Er is een tijd om te doden, en een tijd om te helen, een tijd om af te breken en een tijd om op te bouwen." Je knikte, je kende het - je wees naar de kast, waar het doodsprentje moest staan, maar het was verdwenen. Ik vroeg of ik de tekst mocht voorlezen op je begrafenis, en je knikte. Het zijn verzen die ik ondertussen al vaak heb gelezen en herlezen, en die mij, die zich tot geen enkele godsdienst beken, het epitheton 'tsjeef' opleverde van een onwetende.
"Wat er is, was er al lang; wat zal komen, is er altijd al geweest. God haalt wat voorbij is altijd weer terug."
(Prediker 3:15)
Addendum 3 april 2018
Lieve va,
het is volbracht.
Ondertussen zijn we 3 april 2018. Het is weer ochtend, en de zon breekt door de wolken. Ik zit weer aan mijn schrijftafel. De muziek die ik beluister is Pur Ti Miro, een aria van Claudio Monteverdi, een balsemend liefdeslied.
Liefste va, wonderbaarlijk toch hoe muziek een staat van genade kan oproepen (ik heb er geen ander woord voor), en zo de boosheid in de wereld kan overstijgen.
Op je begrafenis wou ik Passacaglia della Vita van Stefano Landi laten horen. Omdat het zo mooi is, en omdat het Italiaans, waar je zo van houdt, zo mooi klinkt. En omdat het zo waar is: Oh come t'inganni se pensi che gl'anni non hann' da finire, bisogna morire. En omdat het leven een droom is: È un sogno la vita.
Laatst hoorde ik op de radio kardinaal De Kesel die Marguerite Yourcenar citeerde:
'Elk leven is telkens weer onderbroken door de dood, of het weggaan van mensen, en dat is altijd de oorzaak van groot verdriet. Maar dat is minder erg dan nooit die mensen in je leven ontmoet te hebben.'
Ik dank je, voor al het goede dat je me geschonken hebt. Voor de gift van het leven, en al het schone dat daarin te ontdekken valt. A la prossima!