"Schoon hé?" (Ode aan de muziek)
| De zon komt door het gebladerte van een plataan, in het Groot Begijnhof in Leuven, op 28 juli 2017. De schaduw van een plataan speelt de hoofdrol in de aria Ombra mai fu. |
Opgetekend op 29 juli 2017, met enkele addenda
29 juli 2017. Mijn vader slaapt, al zittend, aan de gemeenschappelijke ontbijttafel, zoals zoveel bewoners van het rusthuis. Ik bezoek hem wekelijks. Hij is nog maar eens gevallen - een bruine vlek op de rechterslaap, en pleisters op zijn hoofd en ellebogen. Op de pleisters staat de datum genoteerd: 27/7.
Zoals hij daar zit, voorovergebogen, met een wat scheef hangende mond, begint de kop van mijn vader steeds meer op de boerenportretten van Gustave Van de Woestyne te lijken.
Door de radio klinken Vlaamse schlagers, en een vrouw zingt mee.
Als ik hem begroet, de hand op zijn schouder, wordt hij wakker.
Zal ik je wat muziek geven, vraag ik, en ik stop twee oortjes in zijn oren. Ombra mai fu, Agnus Dei uit de Kröningsmesse, en Piu Jesu, van Fauré, wat we hebben gespeeld op de begrafenis van mijn moeder.
Bij Händel komt er een traan opwellen die langs zijn Van de Woestijnse neus naar beneden biggelt. Hij kijkt op en hij zegt: 'Schoon hé?'
Twee weken later laat ik hem weer de aria van Händel horen, maar nu lijkt de muziek niet door te dringen.
Addendum
27 augustus: Nu heb ik een hoofdtelefoon meegebracht, dat lijkt me beter dan de oortjes. Ombra mai fu, en weer is daar die traan, maar nu wordt die gevolgd door een stil, maar bitter wenen. Wat gaat er om in zijn hoofd? Als ik hem vraag wat hij voelt, kijk ik alleen maar in zijn diepe, diepbedroefde ogen, en zegt hij niets.
22 oktober: Muziek aanbieden heeft geen zin meer. Het is al moeilijk om hem te doen opkijken. Ik help hem met zijn boterhammen, als ik ze in zijn mond stop, hapt hij niet. Ik moet de kramiek in stukjes scheuren en in zijn mond stoppen. Vragen beantwoordt hij niet meer, ik zie een lichaam dat niet meer beantwoordt aan de beschrijving van mijn vader, met een doffe, lege blik. 'Hij is sterk achteruitgegaan.' Dat heb ik al een paar keer te horen gekregen. 'Maar hij is nu minder onrustig.'
25 oktober: En passant langsgegaan, ik was in de buurt, zonder tijd om te blijven. Mijn vader was er nog niet, en ik kon niet wachten. Ik praatte met Yvonne, die er afwezig bijzat. Ik legde mijn hand op haar schouder, en zei haar naam, en dan straalde ze, en zegt ze "Mijnheer!" Op een andere keer zei ze: "Ik ben zo blij u te zien." Ik begroette eens Francesca met haar naam te noemen, en sindsdien verwelkomt zij mij met een brede glimlach. Ook zo met Monique.
Noem me bij mijn naam.
'Kan ik iets voor u doen?' vroeg Yvonne. Ja, zei ik, wil je mijn vader zeggen dat ik langs ben gekomen. Monique vroeg me naar mijn naam, en ik zei: 'Mark, maar mijn vader sprak me altijd aan met Markske. Omdat ik de kleinste ben, en de jongste.'
Diegene die hij een paar maanden eerder vriendelijk en verstandig noemde. In die volgorde.