Introspectie



Introspectie is niet aan mij besteed. Maar eens, zo om de twee maanden, doe ik er toch aan. Als ik bij de kapper ben, en gekluisterd word voor een grote spiegel. Dan zie ik mezelf zitten, en dan leg ik mezelf de Grote Vragen voor: Wie ben ik? Waar kom ik vandaan? Waar moet het met mij heen?

Omdat deze vragen mij te moeilijk zijn, kijk ik dan snel naar de details. Zijn mijn oren nu groter geworden? Waar blijven die rimpels toch vandaan komen? De neus, die heb ik toch van mijn vader. Of is het van mijn grootmoeder van vaders zijde? En de ogen, duidelijk van mijn moeder. Wat als het andersom was geweest - de neus van mijn moeder; de ogen van mijn vader?

Wat draag ik mee van mijn ouders? Van mijn grootouders? Ik herinner mij een gesprek, een jaar of 40 of zo geleden. Mijn vader sprak met mijn grootmoeder - we noemden haar mémé, een bijzonder lieve vrouw - over Beethoven, een Duitser van Vlaamse oorsprong. "Beethoven is dus een Duitser," vroeg mijn grootmoeder, en die onschuldige vraag trof mijn vader, de muziekliefhebber, en mij ook. Later (of daarvoor?) bezocht ik Bonn met mijn moeder. Ze hield een fotoboek bij, en plakte daarin een ansichtkaart met daarop het standbeeld van Ludwig van Beethoven. Ze schreef er zijn naam bij, met de toevoeging: 'Grootmeester'. Als kind vond ik dat toen een beetje overdreven. (Waar zou dat fotoboek toch zijn? Waar zijn mijn andere memorabilia?)

Als tiener legde ik mijn vader eens een uitspraak voor: 'Brave is geen gave' (in het Gents klinkt dat even anders.) Hij was het er niet mee eens. Wacht maar eens tot je een echte slechterik tegenkomt, zei hij. Ondertussen heb ik hem begrepen. Ik zag het boze in de ogen. Sindsdien is mijn motto: 'Braaf maar niet onnozel.' Samen met: 'Wie goed doet, goed ontmoet.'

Ik bezie nog altijd mijn spiegelbeeld. Begin ik met ouder te worden meer op mijn vader te lijken, of niet? Hij was al vroeg kaal, bij mij valt het mee. Ik kan meteen een slechte karaktertrek opnoemen die ik van hem erfde: conflicten ga ik liever uit de weg. Te aardig om eerlijk te zijn, een gebrek aan moed om de confrontatie aan te gaan, om te bekomen waar ik recht op had. Dan zijn er de positieve eigenschappen: het goede in mensen zien, op het naïeve af. Altijd alles met de beste intenties, ook al loopt het soms in het honderd, en vallen er slachtoffers. Net als mijn vader denk ik ook dat alles wel in orde komt. Die laatste eigenschap heeft hem én mij parten gespeeld in zijn laatste levensjaren. Ik wou een gesprek met de familie. Hij maakte een sussende beweging met de handen: laat het nog even rusten, alles komt wel goed. Ik bezwoer hem: 'Va, vanzelf komt het niet goed.'

Niet alles kwam goed.

Maar toch veel. Het belangrijkste toch. Het laatste wat hij publiekelijk over mij zei, was dat ik een 'vriendelijke en verstandige jongen' was. In zijn ogen bleef ik 'die jongen', zijn jongen, Markske. Ik denk heel vaak aan wat mijn vader zou denken als hij me nu zou zien. Ik denk dat hij trots zou zijn.

Populaire posts van deze blog

De Cuba

È un sogno la vita (Afscheidsbrief)

Het einde (Verloren voor de wereld)